Dit reisverslag is er eentje uit de oude doos maar de inhoud is in september 2018 volledig herbekeken en waar mogelijk aangepast.

In juli en augustus 1995 trok ik samen met twee kameraden door Maleisisch Borneo (Sarawak en Sabah) om er de geur van het regenwoud op te snuiven.
Het was geen georganiseerde reis, we hadden enkel onze rugzakken en een heel pak moed, optimisme en vragen.

Een woordje over Borneo

… habitat van de neushoornvogel, neusaap en orang-oetan. Met zijn dikke 746.000 vierkante kilometer, 20 keer Nederland, is het meteen het op twee na grootste eiland ter wereld. Groenland en Nieuw-Guinea zijn de koplopers. Het land is verdeeld in twee stukken. Sarawak en Sabah in het noorden vormen samen het kleinere Maleisische deel en ten zuiden ligt het Indonesische Kalimantan. Tussen Sarawak en Sabah ligt het piepkleine maar steenrijke Brunei geprangd, een onafhankelijk Islamitisch sultanaat.

Het is niet gemakkelijk een keuze te maken tussen enerzijds het Maleisische deel of anderzijds het Indonesische. Maar aangezien we slechts vier weken ter beschikking hadden kozen we voor Maleisië omwille van de kleinere oppervlakte. Wellicht is “toeristentrekker nr. 1″ Mount Kinabalu (4.101 m) wel medeverantwoordelijk voor deze keuze.

Op hol geslagen schepping

Op Borneo lijkt de schepping op hol te zijn geslagen, immense niet te overziene en onaangetaste regenwouden domineren het gebied en er leven ontelbare soorten zeldzame en opvallende creaturen. Deze uitbundige flora en fauna zijn oorspronkelijk afkomstig van het Aziatische continent want in lang vervlogen tijden zat Borneo nog aan Java en het vasteland vastgeketend. Kleine bergstroompjes komen terecht in de grote rivieren die op hun beurt honderden keren vertakken in kleinere riviertjes.

Vanzelfsprekend is het water dan ook de gemakkelijkste manier om kilometers te vreten in de quasi ondoordringbare jungle. Vanuit een bootje maak je aanzienlijk meer kans om een glimp op te vangen van enkele vertegenwoordigers van het dierenrijk. De grote zoogdieren laten zich spijtig genoeg maar zelden zien, maar daar tegenover staat dat de aandacht telkens weer getrokken wordt door de enorme verscheidenheid aan planten en dicht bij de grond levende dieren: vleesetende bekerplanten, orchideeën, rafflesiabloemen (als je geluk hebt), paddestoelen, allerlei insekten, kleinere reptielen, bloedzuigers (!), enz… het lijkt wel of de mens hier uitgestorven is. Nochtans zijn er de tot de verbeelding sprekende verhalen over primitieve koppensnellers en kannibalen die vroeger menig avonturier deden huiveren.

Vroeger nog kannibalen, nu mountainbikers

Maar de tijden veranderen snel, zoveel is duidelijk als we tijdens één van onze “jungle-treks” worden ingehaald door een lid van de ‘Iban’ op een mountainbike ! De traditionele kledij is er niet meer bij, tenzij misschien om enkele goedgelovige toeristen te sussen en hen het gevoel te geven dat ze toch nog waar voor hun geld hebben gekregen. Ijskasten, kettingzagen, jeans, trendy zonnebrillen, en nog meer moois hebben al lang hun intrede gedaan bij de meeste bevolkingsgroepen.

Stamleden Iban
Oude stamleden van de Iban

Wil je toch nog iets opsnuiven van de traditionele sferen dan kan je bijvoorbeeld eens op zoek gaan naar de semi-nomadische ‘Penan’, vermoedelijk de oudste bewoners van Borneo. Zij kennen het woud als geen ander omdat ze voortdurend verdertrekken en zijn uitstekende jagers met blaaspijp en gifpijl. De Penan leven niet in de gekende longhouses maar bouwen telkens weer tijdelijke onderkomens. Ze strijden intensief tegen de vernietiging van hun woongebieden (houtkap) en zijn fel gekant tegen de corrupte plannen van de Maleisische regering die blijkbaar meer geïnteresseerd is in de massale export van dure houtsoorten. De traditionele waarden en het behoud van de natuurlijke pracht van Borneo is blijkbaar van geen tel meer.

BARIO in de Kelabit Highlands (Sarawak) is een goede uitvalsbasis om deze gastvrije mensen te ontmoeten. Om een afgelegen Penan-nederzetting te bezoeken moet rekening gehouden worden met zware meerdaagse wandelingen door primair oerwoud en dit betekent dat het hoofd moet geboden worden aan diverse onvriendelijke elementen van moeder natuur zoals het extreem vochtigheidsgehalte, moeilijk begaanbare paden bij regenweer, modderpoelen, hopen bloedzuigers enz… Een goede geestelijke en lichamelijke conditie is hier wel op zijn plaats en dit geldt voor alle niet platgetreden paden in de ‘bush’.

Ons verhaal begint in KOTA KINABALU

…waar we al dadelijk worden geconfronteerd met een administratieve rariteit. De internationale luchthaven ligt in de provincie Sabah en het is onze bedoeling rechtstreeks door te vliegen naar MIRI in Sarawak. Bij aanbieden aan de immigratiebalie in Kota Kinabalu krijgen we de nodige entry-stempels in onze paspoorten. Tot zover is alles normaal, maar hoe groot is onze verwondering als we in de ‘domestic-terminal’ voor onze binnenlandse vlucht naar Miri alweer moeten emigreren. Terstond wordt een exit-stempel in onze paspoorten geploft. Bij aankomst in Sarawak krijg je er dan alweer een, dit betekent dus drie stempels in één dag ! Sarawak en Sabah worden schijnbaar als twee afzonderlijke landen beschouwd en er moeten dan ook twee verschillende immigratiedokumentjes worden ingevuld.

Gezondheid :

  • Malaria preventie : Lariam tabletten en goede insektenwerende middelen en muskietennet.
  • Inentingen tegen Hepatitis, Typhus, Polio, Tetanus.
  • Wondontsmetting en waterproof verband.
  • Waterontsmetter (bvb. Micropur tabletten)

Schrijf uw commentaar